ECLI:NL:HR:2026:366
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van A.F.M.J. Verhoeven tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 juni 2025 behandeld. De kern van de zaak betrof de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, waarbij de indiener niet het vereiste griffierecht heeft voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener bij aangetekende brief op 28 augustus 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres. Na het uitblijven van betaling is op 26 september 2025 een tweede aangetekende brief gestuurd met de mogelijkheid om een verklaring te geven voor het niet betalen, maar hier is geen gebruik van gemaakt.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan de zijde van de indiener opgelegd. Het arrest is op 6 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.