Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
10 maart 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van klaagster verworpen tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die de voortzetting van beslag op diverse vermogensbestanddelen bevestigde. Het beslag betreft onder meer een woning, auto's, een boot, effectenportefeuilles en bankrekeningen in Nederland en Zwitserland, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.
De klaagster voerde aan dat het beslag disproportioneel was, omdat de waarde van de inbeslaggenomen goederen lager zou zijn dan de te verwachten betalingsverplichting en dat zij door het beslag in een nijpende financiële situatie zou verkeren. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake was van overbeslag en dat de voortzetting van het beslag niet in strijd was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De Hoge Raad heeft de klachten van klaagster beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep in cassatie is derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag blijft gehandhaafd.