Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
3 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De betrokkene werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit onder meer het voorhanden hebben van wapens en het aanwezig hebben van cocaïne. Het hof maakte gebruik van de methode van eenvoudige kasopstelling conform artikel 36e lid 3 Sr.
In cassatie stelde de betrokkene onder meer dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 74 AWR Pro niet-ontvankelijk verklaard moest worden in de ontnemingsvordering. Daarnaast werd betwist of het hof mocht uitgaan van een beginsaldo contant geld van nul euro, of het bedrag van € 50.000 dat contant aan een advocatenkantoor was betaald, mocht worden meegenomen in de berekening van het w.v.v., en of het hof bij de vaststelling van het w.v.v. mocht uitgaan van de aankoopwaarde van contant aangeschafte goederen in plaats van de executiewaarde.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering van het hof.