Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor dood door schuld in het verkeer nadat hij in 2021 in Den Haag als bestuurder van een bestelauto achteruitreed en daarbij een oudere vrouw met een rollator aanreed, die hierdoor overleed.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gehandeld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Daarnaast betwistte hij de strafmotivering, met name het meewegen van het ontbreken van spijt of medeleven in hoger beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef. De opgelegde straf bestond uit een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor één jaar.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor dood door schuld met taakstraf, hechtenis en rijontzegging.