ECLI:NL:HR:2026:308
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van [X] behandeld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, waarbij de betaling van het griffierecht centraal stond.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief op 28 augustus 2025 gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor de betaling. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres. Ondanks deze aanmaning is het griffierecht niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier op 28 oktober 2025 opnieuw bij aangetekende brief de indiener in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht. Ook deze brief is afgeleverd, maar er is geen reactie ontvangen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Het arrest is op 27 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.