Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2024. De zaak betreft een burenruzie waarbij de verdachte, geboren in 1952, werd beschuldigd van bedreiging van een buurtbewoner met messen, in strijd met artikel 285.1 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte had in hoger beroep afstand gedaan van rechtsmiddelen, maar stelde later dat hij zich in eerste aanleg niet gehoord voelde en dat het proces snel ging, wat hem in verwarring bracht. De Hoge Raad moest beoordelen of deze omstandigheden voldoende waren om te concluderen dat de afstand van rechtsmiddelen niet rechtsgeldig was. De advocaat-generaal, P.H.P.H.M.C. van Kempen, had geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet konden leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad heeft geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals vermeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Uiteindelijk verwerpt de Hoge Raad het beroep van de verdachte.