ECLI:NL:HR:2026:3

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23/03882
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141.1.2 SrArt. 359.2 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijsgebruik verklaringen bij openlijke geweldpleging

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg. In eerste aanleg was verdachte vrijgesproken. Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen het gebruik door het hof van verklaringen van de aangever en twee getuigen, die door de verdediging als onbetrouwbaar werden bestempeld.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verweer van de verdediging niet als een afzonderlijk, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen heeft aangemerkt, maar als onderdeel van een algemener bewijsverweer. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, aangezien de uitleg van verweren aan de feitenrechter is voorbehouden. Het standpunt van de verdediging dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is, wordt door het hof weerlegd met de gebruikte bewijsmiddelen.

De Hoge Raad ziet geen reden tot cassatie en hoeft de motivering van het hof niet nader te toetsen. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, maar verbindt daaraan geen rechtsgevolgen gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren. Het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor openlijke geweldpleging bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03882
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2023, nummer 22-003496-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , in weerwil van wat door de verdediging naar voren was gebracht over de onbetrouwbaarheid van die verklaringen.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.