Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 13 november 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling.
De brief werd afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan. Op 12 december 2025 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende met de mogelijkheid om te reageren op de niet-betaling, en stuurde tevens een kennisgeving per e-mail. Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd op 27 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren.