Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 28 augustus 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling.
De brief werd volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan. Op 26 september 2025 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende met de vraag om opheldering over het niet betalen van het griffierecht. Tevens werd een kennisgeving verzonden naar het opgegeven e-mailadres.
Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken op 20 februari 2026 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.