ECLI:NL:HR:2026:2

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23/03879
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 lid 2 sub 1 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel bevestigd door Hoge Raad

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel. Het hof Den Haag bevestigde deze vrijspraak, waarbij het bewijs mede bestond uit verklaringen van de aangever en twee getuigen. De verdediging voerde aan dat deze verklaringen onbetrouwbaar waren en niet als bewijs mochten dienen.

In cassatie klaagde de verdachte dat het hof ten onrechte deze verklaringen als bewijs had gebruikt. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof het verweer van de verdediging niet als een afzonderlijk, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen had opgevat, maar als onderdeel van een algemener bewijsverweer. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk, mede omdat de uitleg van verweren aan de feitenrechter is voorbehouden.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en stelde vast dat het hof niet gehouden was tot nadere motivering van het bewijsgebruik. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar dit leidde niet tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur.

De uitspraak bevestigt dat het hof een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de waardering van getuigenverklaringen en dat de Hoge Raad terughoudend is in het toetsen van deze waardering, tenzij sprake is van een onbegrijpelijk oordeel.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt vrijspraak openlijke geweldpleging ondanks betwisting bewijs, cassatieberoep verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03879
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2023, nummer 22-003497-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , in weerwil van wat door de verdediging naar voren was gebracht over de onbetrouwbaarheid van die verklaringen.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.