ECLI:NL:HR:2026:194

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
24/02749
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 36e lid 2 SrArt. 36e lid 3 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen drugshandel en witwassen

De betrokkene werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op bewezenverklaarde feiten van medeplegen van drugshandel, medeplegen witwassen en gewoontewitwassen. De methode van eenvoudige kasopstelling werd toegepast conform artikel 36e lid 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht.

De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, waarbij zijn advocaat een cassatiemiddel indiende. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de betrokkene beoordeeld, maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot motivering omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren, waarbij het beroep werd verworpen. Hiermee blijft het vonnis van het hof in stand en wordt de ontnemingsvordering bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02749 P
Datum10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003624-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2026.