Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een 16-jarige verdachte die werd veroordeeld voor ontucht met een 15-jarig meisje in een park, in strijd met het oude artikel 245 Sr Pro. Het hof legde een straf van 90 dagen jeugddetentie op, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, met aftrek van voorarrest. De strafmotivering van het hof vermeldde dat de opgelegde straf in overeenstemming was met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder eerdere veroordelingen.
De advocaat-generaal stelde in zijn conclusie dat de strafoplegging onbegrijpelijk was omdat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie de feitelijke duur van het voorarrest (maximaal drie dagen) overstijgt, terwijl het hof in haar motivering suggereerde dat de verdachte niet opnieuw zou worden vastgezet tenzij hij binnen de proeftijd een nieuw strafbaar feit pleegt. De Hoge Raad oordeelde dat deze discrepantie tussen strafoplegging en motivering de strafoplegging onbegrijpelijk maakt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft, maar liet de opgelegde schadevergoedingsmaatregel intact. De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging. De uitspraak werd gedaan op 6 januari 2026 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.