Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor belastingfraude binnen een btw-carrouselconstructie. Verdachte zou feitelijke leiding hebben gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting en het opzettelijk beschikbaar stellen van valse bescheiden aan de belastingdienst.
In cassatie werden verschillende klachten ingebracht, waaronder het beroep op een fiscaal pleitbaar standpunt, bewijsklachten over het opzet bij het onjuist doen van aangiften, en de afwijzing van een getuigenverzoek. Ook werd betwist of het hof terecht had geoordeeld dat verdachte valse bescheiden beschikbaar had gesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het oordeel van het hof over de bewezenverklaring en de afwijzing van het getuigenverzoek, waarmee de veroordeling van verdachte in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor belastingfraude binnen een btw-carrousel.