Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 november 2023. De verdachte werd veroordeeld voor het weigeren van een bloedonderzoek en het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend omdat verdachte op dat moment in Duitsland gedetineerd zou zijn, en dat het aanwezigheidsrecht was geschonden.
Het hof oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en verwierp het verzoek tot terugwijzing van de zaak ter effectuering van het aanwezigheidsrecht, omdat niet vaststond dat verdachte daadwerkelijk in het buitenland was gedetineerd. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoeft zijn oordeel niet te motiveren omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar ziet geen aanleiding om aan dit oordeel een ander rechtsgevolg te verbinden, mede gelet op de opgelegde taakstraf van dertig uren. Het beroep wordt derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor weigering bloedonderzoek en rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid blijft gehandhaafd.