ECLI:NL:HR:2026:174

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
23/04511
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 36e lid 2 sub b Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bloedonderzoek en rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 november 2023. De verdachte werd veroordeeld voor het weigeren van een bloedonderzoek en het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend omdat verdachte op dat moment in Duitsland gedetineerd zou zijn, en dat het aanwezigheidsrecht was geschonden.

Het hof oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en verwierp het verzoek tot terugwijzing van de zaak ter effectuering van het aanwezigheidsrecht, omdat niet vaststond dat verdachte daadwerkelijk in het buitenland was gedetineerd. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoeft zijn oordeel niet te motiveren omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar ziet geen aanleiding om aan dit oordeel een ander rechtsgevolg te verbinden, mede gelet op de opgelegde taakstraf van dertig uren. Het beroep wordt derhalve verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor weigering bloedonderzoek en rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04511
Datum10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 november 2023, nummer 21-004939-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van dertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2026.