ECLI:NL:HR:2026:163

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
23/03049
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 2.C OpiumwetArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in medeplegen cocaïnezaak

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in een bestelbus. De verdachte was veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf.

De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de strafduur vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de overige klachten onvoldoende waren voor vernietiging en dat geen nadere motivering nodig was.

Omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 48 naar 46 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.

De Hoge Raad wees het arrest uit op 3 februari 2026, met vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Posthumus en Kuiper als leden.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 48 naar 46 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03049
Datum3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 augustus 2023, nummer 23-001684-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 48 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 46 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 februari 2026.