Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld
3.Beoordeling van de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend
4.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak stond zware mishandeling centraal waarbij de aangever door de verdachte in het gezicht werd geslagen, met letsel aan oog, jukbeen, wang en gebit tot gevolg. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de zaak behandeld en diverse procesrechtelijke en bewijsrechtelijke kwesties beoordeeld.
De verdediging had onder meer verzocht om het horen van een belastende getuige, wat het hof afwees omdat de noodzaak niet was aangetoond en niet alle belastende getuigen door de verdediging hoeven te worden gehoord. Daarnaast werd de betrouwbaarheid van belastende getuigenverklaringen en de bewijskracht van verklaringen besproken, evenals een voorwaardelijk verzoek tot benoeming van een deskundige dat werd afgewezen.
Ook speelde de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, waarbij het hof oordeelde dat deze overschrijding verklaard kon worden door proceshandelingen van de verdediging en volstond met een constatering van overschrijding. Klachten van de benadeelde partij over de vordering en het oordeel van het hof werden door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet voldeden aan de vereisten voor cassatiemiddelen.
De Hoge Raad concludeerde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en wees het cassatieberoep af zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.