ECLI:NL:HR:2026:161

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24/02095
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302.1 SrArt. 81.1 ROArt. 437.3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak zware mishandeling met bewijs- en termijnkwesties

In deze zaak stond zware mishandeling centraal waarbij de aangever door de verdachte in het gezicht werd geslagen, met letsel aan oog, jukbeen, wang en gebit tot gevolg. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de zaak behandeld en diverse procesrechtelijke en bewijsrechtelijke kwesties beoordeeld.

De verdediging had onder meer verzocht om het horen van een belastende getuige, wat het hof afwees omdat de noodzaak niet was aangetoond en niet alle belastende getuigen door de verdediging hoeven te worden gehoord. Daarnaast werd de betrouwbaarheid van belastende getuigenverklaringen en de bewijskracht van verklaringen besproken, evenals een voorwaardelijk verzoek tot benoeming van een deskundige dat werd afgewezen.

Ook speelde de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, waarbij het hof oordeelde dat deze overschrijding verklaard kon worden door proceshandelingen van de verdediging en volstond met een constatering van overschrijding. Klachten van de benadeelde partij over de vordering en het oordeel van het hof werden door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet voldeden aan de vereisten voor cassatiemiddelen.

De Hoge Raad concludeerde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en wees het cassatieberoep af zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02095
Datum3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024, nummer 21-005142-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens [benadeelde] heeft de advocaat C.A.M. Dilven een schriftelijk stuk ingediend.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Dat geldt ook voor cassatiemiddelen als bedoeld in artikel 437 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Als zo’n cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 februari 2026.