ECLI:NL:HR:2026:16

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
24/00106
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 SvArt. 552a SvArt. 98 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken proces-verbaal raadkameronderzoek

In deze zaak is door de klager beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel betreffende een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv en artikel 98 lid 4 jo Pro. 552a Sv. De zaak betreft verdenking van illegale export van verwerkte dierlijke eiwitten met vervalste handelsdocumenten.

Het centrale geschilpunt in cassatie was het ontbreken van een proces-verbaal van het raadkameronderzoek van 24 maart 2023, terwijl artikel 25 lid 1 Sv Pro voorschrijft dat een dergelijk proces-verbaal door de griffier moet worden opgemaakt en bij de processtukken gevoegd. Na navraag bij de rechtbank bleek dat dit proces-verbaal niet was opgemaakt.

De Hoge Raad oordeelt dat dit een schending van de wettelijke voorschriften inhoudt en vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Overijssel voor een nieuwe behandeling en beslissing. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking vanwege deze beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens het ontbreken van het proces-verbaal van het raadkameronderzoek en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00106 Bv
Datum6 januari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023, nummers RK 23/019717 en 22/23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 25 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 24 maart 2023 is opgemaakt.
2.2
Op grond van artikel 25 lid 1 Sv Pro moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en wat verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat daarnaast voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken.
2.3
Het proces-verbaal waarop het cassatiemiddel doelt, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een verzoek dat de raadsman op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft gedaan, is bij de rechtbank nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat geen proces-verbaal is opgemaakt. Het cassatiemiddel slaagt daarom.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.