Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke brandstichting in een personenauto. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat, met vermindering van de gevangenisstraf tot de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, vermindert deze tot vijf maanden en drie weken, en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt verder verworpen.