ECLI:NL:HR:2026:151

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24/00583
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering schadevergoedingsmaatregel bij medeplegen inbraak

In deze strafzaak stond medeplegen van inbraak in een bedrijfspand centraal. De benadeelde partij, een B.V., had een vordering ingediend voor materiële schade. Het gerechtshof Den Haag had deze vordering toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het deel van het arrest dat betrekking had op de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak voor hernieuwde beoordeling. Het overige deel van het beroep werd verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de toegewezen schade van €17.624,83 rechtstreeks het gevolg was van de bewezenverklaarde feiten. De stukken ter onderbouwing van de vordering waren niet nader toegelicht, en de betwisting door de verdediging was niet adequaat weerlegd. Daarom was het oordeel van het hof niet begrijpelijk en moest het arrest worden vernietigd en de zaak worden terugverwezen.

De Hoge Raad wees het beroep voor het overige af en bepaalde dat de zaak opnieuw moet worden behandeld door het hof, specifiek met betrekking tot de schadevergoedingsvordering en de maatregel. Dit arrest werd uitgesproken op 3 februari 2026 door de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de schadevergoedingsvordering en maatregel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00583
Datum3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 februari 2024, nummer 22-003018-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [A] BV en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij [A] B.V. en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij [A] B.V. en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 februari 2026.