Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond medeplegen van inbraak in een bedrijfspand centraal. De benadeelde partij, een B.V., had een vordering ingediend voor materiële schade. Het gerechtshof Den Haag had deze vordering toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het deel van het arrest dat betrekking had op de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak voor hernieuwde beoordeling. Het overige deel van het beroep werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de toegewezen schade van €17.624,83 rechtstreeks het gevolg was van de bewezenverklaarde feiten. De stukken ter onderbouwing van de vordering waren niet nader toegelicht, en de betwisting door de verdediging was niet adequaat weerlegd. Daarom was het oordeel van het hof niet begrijpelijk en moest het arrest worden vernietigd en de zaak worden terugverwezen.
De Hoge Raad wees het beroep voor het overige af en bepaalde dat de zaak opnieuw moet worden behandeld door het hof, specifiek met betrekking tot de schadevergoedingsvordering en de maatregel. Dit arrest werd uitgesproken op 3 februari 2026 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de schadevergoedingsvordering en maatregel.