Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 februari 2024, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van inbraak in een bedrijfspand. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de herkenning van verdachte aan de hand van camerabeelden door verbalisanten.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, en uitgesproken op 3 februari 2026. Het beroep is verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, waardoor het arrest van het gerechtshof blijft staan.