Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde passieve ambtelijke omkoping door zijn echtgenote in verband met een aanbesteding van een vuilnisstortplaats op Sint Maarten.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder nietigheidsklachten over het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en bewijsklachten over zijn betrokkenheid bij het aanbestedingsproces en het aannemen van giften. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het vonnis konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht te beantwoorden. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de taakstraf en de vervangende hechtenis moesten worden verminderd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis uitsluitend wat betreft de duur van de taakstraf en de vervangende hechtenis, stelde de taakstraf vast op 200 uren en de vervangende hechtenis op 100 dagen, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd tot 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, wegens overschrijding van de redelijke termijn.