ECLI:NL:HR:2026:131

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
25/00215
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de uitleg van een overeenkomst inzake geldlening of schenking

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure. De zaak betreft een geschil tussen [de vader] en zijn zonen, [zoon 1] en [zoon 2], over de uitleg van een overeenkomst die betrekking heeft op een geldlening of schenking. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland en een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De vader heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof, waarin zijn zonen als verweerders optreden. De advocaat-generaal W.L. Valk heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van de vader schriftelijk heeft gereageerd.

De Hoge Raad heeft de klachten van de vader over het arrest van het hof beoordeeld en geconcludeerd dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals vermeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

In de beslissing heeft de Hoge Raad het beroep van de vader verworpen en hem veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die zijn begroot op € 2.554,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na de uitspraak zijn voldaan.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/00215
Datum30 januari 2026
ARREST
In de zaak van
[de vader],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [de vader],
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
1. [zoon 1],
wonende te [woonplaats],
2. [zoon 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [zoon 1] en [zoon 2],
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/18/213377/ HA ZA 22-99 van de rechtbank Noord-Nederland van 17 augustus 2022 en 19 april 2023;
b. het arrest in de zaken 200.329.923/01 en 200.330.690 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 oktober 2024.
[de vader] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[zoon 1] en [zoon 2] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [zoon 1] en [zoon 2] toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de vader] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de vader] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [zoon 1] en [zoon 2] begroot op € 2.554,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de vader] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
30 januari 2026.