Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
30 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende een zorgmachtiging. Betrokkene, vertegenwoordigd door advocaat M.A.M. Wagemakers, heeft cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2024. De officier van justitie in het arrondissement Den Haag, als verweerder, is niet verschenen en heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal L.M. Coenraad heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene over de beschikking van de rechtbank beoordeeld. De klachten betroffen onder andere de overschrijding van de beslistermijn, het niet invullen van de zorgkaart en de eisen die aan de medische verklaring gesteld worden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank. Het was niet nodig om te motiveren waarom dit oordeel is gegeven, aangezien de vragen die aan de orde waren niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals vermeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank in stand blijft. Deze uitspraak is gedaan door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en K. Teuben, en is openbaar uitgesproken door raadsheer A.E.B. ter Heide.