Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Het goud
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 juli 2026.
Hoge Raad
Partijen zijn in 1977 in Turkije gehuwd en zijn in 2023 gescheiden. De rechtbank bepaalde dat het goud uit de gezamenlijke kluis gelijk verdeeld moest worden. In hoger beroep verzocht de vrouw om afgifte van de helft van het goud of vergoeding van de waarde daarvan.
Het hof Den Haag oordeelde dat de man de helft van het goud aan de vrouw moest afgeven of de waarde daarvan moest vergoeden, omdat hij het goud uit de kluis had gehaald en het niet aannemelijk had gemaakt dat hij het goud in de woning van de vrouw had achtergelaten. De bewijslast legde het hof bij de man.
De Hoge Raad stelt dat op grond van art. 150 Rv Pro de vrouw de stelplicht en bewijslast draagt om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de man over het goud beschikt. Het betoog van de man dat hij het goud in de woning van de vrouw heeft achtergelaten is een betwisting van de feitelijke grondslag van het verzoek en de bewijslast daarvoor ligt niet bij hem.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten worden niet behandeld omdat ze niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.