Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 juli 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiser, woonachtig in Tsjechië, cassatieberoep ingesteld tegen meerdere arresten van het gerechtshof Amsterdam die betrekking hebben op zijn vordering tegen Vickers Holding & Finance Inc., gevestigd op de Britse Maagdeneilanden. De procedure betreft een geschil over onrechtmatige daad en betrokkenheid bij de verduistering van een obligatieportefeuille en gelden.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak en constateert dat tegen Vickers verstek is verleend. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van eiser schriftelijk heeft gereageerd.
Na beoordeling van de klachten over de arresten van het hof oordeelt de Hoge Raad dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad motiveert dit niet nader omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding, die nihil zijn begroot aan de zijde van Vickers. Het arrest is gewezen door de raadsheren du Perron, Wattendorff en Salomons en in het openbaar uitgesproken door Salomons op 17 juli 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.