ECLI:NL:HR:2026:1265

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
26/00980
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 SrArt. 225 SrArt. 2 SrArt. 553 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking Nederlandse rechtsmacht bij valsheid in geschrift in nareisprocedure

In deze prejudiciële beslissing beantwoordt de Hoge Raad vragen over de reikwijdte van de Nederlandse strafrechtelijke rechtsmacht op grond van artikel 4, aanhef en onder d, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De zaak betreft een verdachte die in Turkije een IND-formulier valselijk heeft ingevuld in het kader van een nareisprocedure.

De Hoge Raad stelt vast dat artikel 4.d Sr, dat betrekking heeft op valsheidsdelicten gepleegd tegen Nederlandse overheidsinstellingen, beperkt moet worden uitgelegd. De wetsgeschiedenis toont aan dat deze bepaling alleen ziet op specifieke, door overheidsinstellingen uitgegeven geschriften die een zekere economische waarde vertegenwoordigen, zoals schuldbrieven en certificaten van schuld van de Nederlandse staat.

Daarom is de Nederlandse strafwet op grond van artikel 4.d Sr niet van toepassing op het in het buitenland valselijk opmaken of vervalsen van een IND-formulier voor een nareisprocedure. De Hoge Raad merkt op dat de toepassing van de Nederlandse strafwet op andere strafbare feiten in relatie tot dergelijke geschriften, zoals het gebruik ervan, afhankelijk is van de concrete omstandigheden en mogelijk op grond van artikel 2 Sr Pro kan worden vastgesteld.

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen dan ook ontkennend en verduidelijkt hiermee de grenzen van de extraterritoriale rechtsmacht bij valsheid in geschrift in het kader van immigratieprocedures.

Uitkomst: Nederland heeft geen rechtsmacht op grond van artikel 4.d Sr voor het buiten Nederland valselijk opmaken of vervalsen van een IND-formulier in een nareisprocedure.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer26/00980 PJV
Datum14 juli 2026
PREJUDICIËLE BESLISSING
op de door het gerechtshof 's-Hertogenbosch bij beslissing van 17 maart 2026, nummer 20-000115-25, gestelde rechtsvragen in de zaak
van
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop bij de Hoge Raad

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij beslissing van 17 maart 2026 prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door het openbaar ministerie.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft conclusie genomen.

2.De prejudiciële vragen

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de volgende prejudiciële vragen gesteld:
“1. Kunnen de belangen die in het geding zijn bij het vervalsen van een door de IND verstrekt geschrift in het kader van een door een familielid in Nederland gedaan nareisverzoek strekkend tot gezinshereniging, welk geschrift, mits naar waarheid ingevuld, de weg opent naar rechtmatig verblijf van een vreemdeling in Nederland, worden aangemerkt als ‘gewichtige algemene nationale rechtsbelangen’ ter bescherming waarvan een grondslag voor rechtsmacht is opgenomen in artikel 4 Sr Pro (vgl. Kamerstukken II 2012/13, 33572, nr. 3, p. 4)?
2. Is (daarmee) sprake van een strafbaar feit ‘gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling’ als bedoeld in art. 4, aanhef en onderdeel d, Sr wanneer een ‘formulier Bijlage Verklaring burgerlijke staat’ van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) niet naar waarheid wordt ingevuld (valselijk wordt opgemaakt) met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te (doen) gebruiken in een nareisprocedure?”

3.Feitelijke context

3.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen in een zaak waarin – kort gezegd – de verdachte, die de Syrische nationaliteit heeft, wordt vervolgd voor valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), omdat hij in het kader van een nareisprocedure, in Turkije op een formulier ‘Bijlage Verklaring burgerlijke staat’ van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) gegevens heeft vermeld die onjuist zouden zijn.
3.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 12 januari 2021 te Istanboel, in elk geval in Turkije, en/of in Syrië, en/of in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een formulier Bijlage Verklaring burgerlijke staat van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op dit geschrift/formulier in strijd met de waarheid te vermelden dat hij ongehuwd was en nimmer gehuwd was geweest en/of geen duurzame relatie of exclusieve relatie met een partner had en/of niet de zorg had over kinderen (middels het plaatsen van een vinkje en/of het zwart maken van een hokje), met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”

4.Juridisch kader

4.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 4, aanhef en onder 1º tot en met 6º, Sr, zoals dat luidde tot 1 juli 2014:
“De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt:
1° aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 92–96, 97a, 98–98c, 105 en 108–110;
2° aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 131 tot en met 134 en 189, indien het strafbare feit of het misdrijf waarvan in die artikelen wordt gesproken, is een misdrijf als onder 1° bedoeld;
3° aan enig misdrijf ten opzichte van muntspeciën, munt- of bankbiljetten, van rijkswege uitgegeven zegels of rijksmerken;
4° aan valsheid in schuldbrieven of certificaten van schuld van de Nederlandse staat of van een Nederlandse provincie, gemeente of openbare instelling, de talons, dividend- en rentebewijzen tot deze stukken behorende, en de bewijzen, uitgegeven in plaats van deze stukken, inbegrepen, of aan het opzettelijk gebruik maken van zodanig vals of vervalst stuk als ware het echt en onvervalst;
5° aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 216, tweede lid, 381–385, 409 en 410 of aan de overtreding omschreven in artikel 446a;
6° aan het misdrijf omschreven in artikel 207a.”
- Artikel 4 Sr Pro, zoals dat nu luidt:
“De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt:
a. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 97a, 98 tot en met 98d, 105 en 108 tot en met 110;
b. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 131 tot en met 134 en 189, indien het strafbare feit of het misdrijf waarvan in die artikelen wordt gesproken, een misdrijf is als onder a bedoeld;
c. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 208 tot en met 214 en 216 tot en met 223;
d. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 225 tot en met 227b en 232 indien het strafbare feit is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling;
e. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 381 tot en met 385b, 409 en 410 of aan de overtreding omschreven in artikel 446a;
f. aan het misdrijf omschreven in artikel 207a.”
- Artikel 225 Sr Pro:
“1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.”
4.2
Artikel 4 Sr Pro is gewijzigd bij de op 1 juli 2014 in werking getreden Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken), Stb. 2013, 484. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid houdt onder meer in:
“2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De herziening die dit wetsvoorstel beoogt, komt tot uitdrukking in voorstellen die de verschillende rechtsmachtgrondslagen helder trachten af te bakenen. Zo stellen wij voor artikel 4 Sr Pro terug te brengen tot een algemene rechtsgrondslag voor de uitoefening van Nederlandse rechtsmacht ter bescherming van gewichtige algemene nationale rechtsbelangen, onafhankelijk van het grondgebied en de persoon van de dader. De rechtsbelangen die daarvoor in aanmerking (blijven) komen, zijn thans opgenomen in artikel 4, onderdelen 1° tot en met 6°, Sr.
(...)
4. De voorgestelde aanpassingen
4.1
Algemene nationale rechtsbelangen
Voorgesteld wordt om het huidige artikel 4 Sr Pro om te vormen tot een rechtsmachtgrondslag op basis waarvan de Nederlandse strafwet ongeclausuleerd kan worden toegepast op een ieder die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan nader aangeduide strafbare feiten die algemene nationale rechtsbelangen beschermen. Het gaat hier om de misdrijven die (van oudsher) in artikel 4, onderdelen 1° tot en met 6°, Sr zijn opgenomen. Voor zover het betreft de aldaar genoemde misdrijven tegen de veiligheid van de staat, tegen de Koninklijke waardigheid, de valsemunterij, de misdrijven betreffende de van rijkswege uitgegeven zegels of rijksmerken of andere valsheidsdelicten tegen Nederlandse overheidsinstellingen is het duidelijk dat zij de Nederlandse staatkundige structuur en economie – ook in het buitenland – beogen te beschermen. Maar ook voor de zeeroofmisdrijven, de misdrijven betreffende het bedrieglijk voeren van de Nederlandse vlag of een Nederlands onderscheidingsteken en voor het plegen van meineed voor een internationaal gerecht geldt dat zij een algemeen nationaal rechtsbelang beschermen. Voor de zeeroofmisdrijven is het nodig – hetgeen ook volkenrechtelijk is erkend – dat elke staat de bevoegdheid heeft om daartegen op te treden; dat is tevens voor ieder land een nationaal belang. Bij de misdrijven betreffende het onbevoegd voeren van de Nederlandse vlag of een Nederlands onderscheidingsteken is sprake van een algemeen nationaal belang omdat vaartuigen niet ten onrechte de schijn mogen wekken dat zij een Nederlands (oorlogs)vaartuig zijn. Wat de meineed voor een internationaal gerecht betreft, hangt de mogelijkheid tot het uitoefenen van extraterritoriale rechtsmacht samen met het feit dat het hier gaat om een delict tegen de internationale rechtspleging. Een adequate handhaving van de internationale rechtsorde is een algemeen nationaal belang. Verder speelt Nederland een prominente rol binnen de internationale rechtspleging als gastland voor diverse internationale gerechtshoven. Het herziene artikel 4 Sr Pro, zoals het thans wordt voorgesteld, zal evenals de artikelen 2 en 3 Sr, toepasselijk zijn op een ieder zonder onderscheid naar nationaliteit. Voorop staat de bescherming tegen inbreuken op algemene nationale rechtsbelangen die nader worden geduid in de in artikel 4 Sr Pro opgesomde delicten.”
(Kamerstukken II 2012/13, 33572, nr. 3, p. 4 en 17.)

5.Beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen

5.1
De prejudiciële vragen stellen in de kern aan de orde hoe artikel 4, aanhef en onder d, Sr moet worden uitgelegd als een verdachte wordt vervolgd wegens het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift, zoals strafbaar is gesteld in artikel 225 lid 1 Sr Pro. Meer specifiek gaat het om de vraag of Nederland op grond van artikel 4, aanhef en onder d, Sr rechtsmacht heeft in een geval als dit waarin het, kort gezegd, gaat om het in het buitenland valselijk opmaken of vervalsen van een IND-formulier ten behoeve van een nareisprocedure.
5.2
De Hoge Raad beantwoordt deze laatste vraag ontkennend. Hoewel artikel 4, aanhef en onder d, Sr met de formulering “tegen een Nederlandse overheidsinstelling” geen nauw afgebakend bereik heeft, moet op grond van de wetsgeschiedenis, in het bijzonder de onder 4.2 weergegeven memorie van toelichting, worden aangenomen dat deze bepaling betrekking heeft op specifieke tegen de Nederlandse overheid gepleegde valsheidsdelicten en niet op een geval als dit waarin een IND-formulier valselijk is opgemaakt of is vervalst. In dat verband is van belang dat uit die wetsgeschiedenis naar voren komt dat de wetgever met de invoering van het huidige artikel 4 Sr Pro geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd ten opzichte van de onder 4.1 weergegeven voorganger van deze bepaling. In de memorie van toelichting staat dat het in het voorgestelde nieuwe artikel 4 Sr Pro gaat om “de misdrijven die (van oudsher) in artikel 4, onderdelen 1° tot en met 6°, Sr zijn opgenomen”, waarbij die onderdelen in het wetsvoorstel telkens één op één zijn overgenomen als onderdelen a tot en met f. Slechts de onderdelen 3° en 4° zijn nader aangepast in die zin dat zij in de nieuwe formuleringen onder c en d – overeenkomstig de andere onderdelen van zowel de oude als de nieuwe regeling – de delicten waarop zij betrekking hebben niet in woorden omschrijven, maar door een verwijzing naar de betreffende strafbepaling.
Tegen die achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat de verwijzing naar artikel 225 Sr Pro in artikel 4, aanhef en onder d, Sr, overeenkomstig de inhoud van het daarvoor geldende artikel 4, aanhef en onder 4°, (oud) Sr, betrekking heeft op de valsheid van specifieke, door een overheidsinstelling uitgegeven geschriften die op zichzelf een zekere economische waarde vertegenwoordigen, zoals de in die oude bepaling opgesomde “schuldbrieven of certificaten van schuld van de Nederlandse staat of van een Nederlandse provincie, gemeente of openbare instelling, de talons, dividend- en rentebewijzen tot deze stukken behorende, en de bewijzen, uitgegeven in plaats van deze stukken”. De alleen in dit onderdeel d van artikel 4 Sr Pro opgenomen beperking tot uitsluitend die gevallen waarin het valsheidsdelict “is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling” moet daarom in die beperkte zin worden verstaan.
5.3
Gelet op deze aan artikel 4, aanhef en onder d, Sr te geven uitleg, moet de vraag of Nederland op grond van artikel 4, aanhef en onder d, Sr rechtsmacht heeft in een geval als dit waarin het gaat om het in het buitenland valselijk opmaken of vervalsen van een IND-formulier ten behoeve van een nareisprocedure, ontkennend worden beantwoord. De verwijzing naar artikel 225 Sr Pro in artikel 4, aanhef en onder d, Sr breidt de Nederlandse rechtsmacht slechts uit tot buiten Nederland begane valsheidsdelicten met betrekking tot specifieke, door een overheidsinstelling uitgegeven geschriften die op zichzelf een zekere economische waarde vertegenwoordigen in de hiervoor bedoelde zin.
5.4
Opmerking verdient dat het voorgaande alleen ziet op de beantwoording van de vraag of de Nederlandse strafwet op grond van artikel 4, aanhef en onder d, Sr van toepassing is als de tenlastelegging is toegesneden op het misdrijf van artikel 225 lid 1 Sr Pro. Of de Nederlandse strafwet van toepassing is op een ander strafbaar feit dat in relatie tot zo’n geschrift is begaan, zoals het gebruik van het geschrift (artikel 225 lid 2 Sr Pro), hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat als plaats waar het misdrijf van artikel 225 lid 2 Sr Pro is begaan mede moet worden aangemerkt de plaats waar een geschrift is ingeleverd of waarnaar het is toegezonden (vgl. HR 27 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9346). Bevindt die plaats zich in Nederland, dan heeft Nederland rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr Pro.

6.Beslissing

De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen, waarvan de kern is weergegeven onder 5.1, op de onder 5.3 weergegeven manier.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.