ECLI:NL:HR:2026:1260

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
24/01398
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 138a.3 SrArt. 8 EVRMArt. 22.2 Verdrag van WenenArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep afgewezen in zaak medeplegen kraken Egyptische zending Den Haag

De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van het kraken van het gebouw van de Egyptische zending in Den Haag. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 opgelegd, subsidiair vijf dagen hechtenis.

De Hoge Raad heeft de motiveringsklachten van de verdachte tegen het oordeel van het hof over de onrechtmatige ontruiming en de toepassing van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 8 EVRM Pro) en het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (art. 22.2) beoordeeld. Tevens werd het verzoek van de verdachte om het 'kraakdossier' bij de processtukken te voegen afgewezen.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig is om de motivering nader toe te lichten vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling. Hoewel de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om dit te verbinden aan een ander rechtsgevolg dan de constatering daarvan.

Het beroep wordt derhalve verworpen en de opgelegde straf blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01398
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2024, nummer 22-000206-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. van Lunen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.