ECLI:NL:HR:2026:1259

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
24/01389
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138a.3 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 22.2 Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeerArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatie in zaak medeplegen kraken Egyptische zending

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2024, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van het kraken van een gebouw van de Egyptische zending in Den Haag. De verdachte betwistte onder meer de motivering van het hof over de onrechtmatige ontruiming en de toepassing van internationale verdragen zoals het EVRM en het Verdrag van Wenen.

De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering nader toe te lichten, omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatten.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar vond dit in het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 geen aanleiding tot een ander rechtsgevolg.

De Hoge Raad heeft het beroep van de verdachte derhalve verworpen en het hofarrest in stand gelaten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorwaardelijke geldboete van € 250 blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01389
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2024, nummer 22-000269-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat C.J.M. van den Brûle bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.