Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2024, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van het kraken van een gebouw van de Egyptische zending in Den Haag. De verdachte betwistte onder meer de motivering van het hof over de onrechtmatige ontruiming en de toepassing van internationale verdragen zoals het EVRM en het Verdrag van Wenen.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering nader toe te lichten, omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatten.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar vond dit in het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 250 geen aanleiding tot een ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad heeft het beroep van de verdachte derhalve verworpen en het hofarrest in stand gelaten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorwaardelijke geldboete van € 250 blijft in stand.