ECLI:NL:HR:2026:1248

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/02424
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak partneralimentatie wegens onbegrijpelijk oordeel over behoeftigheid

Partijen zijn in 2019 in Marokko gehuwd. De vrouw, met de Marokkaanse nationaliteit, verblijft momenteel zonder geldige verblijfsvergunning in Nederland, nadat haar vergunning per 24 februari 2023 is ingetrokken. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen deze intrekking en een aanvraag voor verblijf om humanitaire redenen ingediend, welke is afgewezen. De vrouw mag de behandeling van haar bezwaarschrift in Nederland afwachten.

De rechtbank sprak de echtscheiding uit en wees het verzoek van de vrouw om partneralimentatie af. Het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de echtscheiding en bekrachtigde de rest van de beschikking. Het hof oordeelde dat de vrouw, ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning en het verbod om in Nederland te werken, geacht wordt in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien, onder meer door inkomsten in Marokko te verwerven.

De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof over haar behoeftigheid. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onbegrijpelijke leemte heeft gelaten door niet te motiveren hoe de vrouw in haar onderhoud kan voorzien zolang zij in Nederland verblijft en niet mag werken. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02424
Datum10 juli 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: J. den Hoed.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/15/340078 / FA RK 23-2385 van de rechtbank Noord-Holland van 4 juni 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.345.407/01 en 200.345.407/02 van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2025.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 2019 met elkaar gehuwd in Marokko.
(ii) De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
(iii) Bij beschikking van 3 juli 2023 van de IND is de verblijfsvergunning van de vrouw per 24 februari 2023 ingetrokken. De IND heeft het tegen die beschikking ingediende bezwaar van de vrouw bij beschikking van 6 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar niet was ingediend binnen de termijn. In laatstgenoemde beschikking is vermeld dat de vrouw geen verblijfsrecht meer heeft, wat betekent dat zij niet meer in Nederland mag zijn. De vrouw heeft beroep ingesteld tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning en is in afwachting van een uitspraak daarover.
(iv) De vrouw heeft ook een aanvraag voor verblijf om humanitaire redenen ingediend, die is afgewezen. De vrouw heeft daartegen bezwaar gemaakt. Zij mag de behandeling van het bezwaarschrift in Nederland afwachten.
2.2
De rechtbank heeft onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen partneralimentatie afgewezen.
2.3
Het hof heeft onder meer de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep ten aanzien van de uitspraak van de echtscheiding, de beschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd en het meer of anders in hoger beroep verzochte afgewezen. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“5.18 (…) De vrouw heeft verder een aanvraag voor verblijf om humanitaire redenen ingediend, welke aanvraag is afgewezen. Bij bericht van de IND van 24 juni 2024 is de ontvangst van het door de vrouw ingediende bezwaar daartegen bevestigd. De vrouw mag de behandeling van het bezwaarschrift in Nederland afwachten. (…) De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij momenteel in Nederland verblijft en dat zij de intentie heeft om haar leven in Nederland voort te zetten. Uit de door de vrouw overgelegde stukken met betrekking tot de door haar gevoerde juridische procedures kan worden opgemaakt dat zij tracht te bewerkstelligen dat haar (alsnog) een vergunning voor verblijf in Nederland wordt verleend. Op dit moment bestaat geen concreet vooruitzicht op vertrek van de vrouw uit Nederland. (…)
Behoeftigheid
5.2
Vervolgens dient het hof te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre, de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Vaststaat dat de vrouw niet beschikt over een vergunning voor verblijf in Nederland, waardoor het haar niet is toegestaan om in dit land te werken. Het ligt op de weg van de vrouw om haar verdiencapaciteit zo goed mogelijk te benutten, zo niet in Nederland, dan in Marokko. Het hof volgt de man in zijn stelling dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft ter hoogte van (tenminste) het wettelijk minimumloon (inclusief vakantietoeslag van 8%). Het nettobedrag van het wettelijk minimumloon is niet lager dan de hiervoor becijferde netto behoefte van de vrouw. Van de vrouw kan worden verwacht dat zij in Marokko inkomsten uit arbeid zal verwerven ter hoogte van een bedrag dat – zij het gecorrigeerd voor het welstandspeil in Marokko – overeenstemt met het minimumloon, indien mocht blijken dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in Nederland. (…)
5.21
Omdat de vrouw wordt geacht in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien, zal het verzoek om partneralimentatie worden afgewezen en de bestreden beschikking op dit punt worden bekrachtigd. (…)”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1.2 van het middel klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.20 over de behoeftigheid van de vrouw onbegrijpelijk is omdat sprake is van een leemte. Het hof heeft geoordeeld enerzijds dat de vrouw in Nederland niet mag werken, en anderzijds dat zij pas inkomsten in Marokko zal gaan verwerven indien en voor zover zou blijken dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in Nederland. Aldus heeft het hof een leemte laten bestaan voor de situatie dat de vrouw nog in Nederland verblijft (hetgeen voorlopig nog het geval is), aldus het onderdeel.
3.2
Het hof heeft in rov. 5.20, zesde volzin, geoordeeld dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij in Marokko inkomsten uit arbeid zal verwerven indien mocht blijken dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in Nederland. Tot die tijd – dus in afwachting van de uitkomst van de procedures over haar verblijfsrecht – mag en wil de vrouw in Nederland verblijven, zo heeft het hof tot uitgangspunt genomen (zie ook hiervoor in 2.1 onder (iii) en (iv)). In Nederland mag de vrouw, naar het hof heeft overwogen, niet werken omdat zij niet beschikt over een verblijfsvergunning. In het licht van een en ander is, wat betreft de periode waarin de vrouw in Nederland verblijft in afwachting van de uitkomst van de procedures over haar verblijfsrecht, zonder nadere motivering onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat zij wordt geacht in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Het onderdeel slaagt.
3.3
Onderdeel 1.1 behoeft geen behandeling.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
10 juli 2026.