Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 juli 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiseres B.V. cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde was. De kernvraag betrof of de bestuurders bij het aangaan van verbintenissen wisten of redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden, de zogenaamde beklamelnorm.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het hof Amsterdam. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van eiseres schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie, begroot op een totaal van €4.754,--, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het arrest is gewezen door de raadsheren ter Heide, Schaafsma, Teuben en uitgesproken door Salomons.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.