ECLI:NL:HR:2026:1238

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/01530
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:81 BWArt. 6:82 lid 2 BWArt. 6:228 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in geschil over distributieovereenkomst en minimumafnameverplichting

In deze zaak stond een geschil centraal tussen Skellet N.V. en ODS B.V. over de uitleg en nakoming van een distributieovereenkomst, met name over de minimumafnameverplichting en de promotieverplichting. Skellet had tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld, terwijl ODS een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep had ingesteld.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van Skellet beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van ODS behoeft daarom geen behandeling. De Hoge Raad veroordeelde Skellet tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ODS. De uitspraak werd gedaan door de vicepresident en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Salomons.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Skellet wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01530
Datum10 juli 2026
ARREST
In de zaak van
SKELLET N.V.,
gevestigd te Genk, België,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Skellet,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
ODS B.V.,
gevestigd te Barendrecht,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: ODS,
advocaat: N.E. Groeneveld-Tijssens.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/629539 / HA ZA 21-1029 van de rechtbank Rotterdam van 6 april 2022 en 28 december 2022;
b. het arrest in de zaak 200.324.365/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 januari 2025.
Skellet heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ODS heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Skellet mede door Th.F. de Jong.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt Skellet in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ODS begroot op € 17.016,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Skellet deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
10 juli 2026.