ECLI:NL:HR:2026:1230

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/04301
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 98 lid 4 Wetboek van StrafvorderingArt. 552a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing cassatieberoep tegen beslag op geschriften in Europees onderzoeksbevel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 12 augustus 2025, waarin een klaagschrift van de klager werd afgewezen. Het klaagschrift betrof een beslag op handgeschreven notities en artikelen met aantekeningen, die in het kader van een Europees onderzoeksbevel door Duitse autoriteiten waren gevorderd.

De klager, vertegenwoordigd door advocaten, verzocht om aanhouding van de behandeling en om heroverweging van het beslag, zodat hij de inhoud van de stukken kon onderzoeken en kon vaststellen of deze onder zijn verschoningsrecht vielen. De rechtbank wees dit verzoek af, en de Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd.

De Hoge Raad oordeelde dat de klager door de rechter-commissaris voldoende in de gelegenheid was gesteld om zich uit te laten over zijn verschoningsrecht. De klachten van de klager konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De beschikking werd uitgesproken door raadsheren van de Hoge Raad en de waarnemend griffier tijdens een openbare terechtzitting op 14 juli 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het beslag op de geschriften.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/04301 Bv
Datum14 juli 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 12 augustus 2025, nummer RK 24/015665, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.