Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
De betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2024, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was behandeld. De kern van het cassatiemiddel betrof de geldigheid van de betekening van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de oproeping niet rechtsgeldig was betekend, mede gelet op de inschrijving van de betrokkene in het bevolkingsregister op het briefadres. De Hoge Raad verwees daarbij naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:1163) waarin de motieven voor deze beslissing nader zijn toegelicht.
Als gevolg van de nietigheid van de betekening vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en wees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling op het bestaande hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 7 juli 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens nietige betekening van de oproeping en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.