ECLI:NL:HR:2026:119

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
23/04656
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering ontnemingsbedrag bij medeplichtigheid aan cocaïnebewerking

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was veroordeeld voor medeplichtigheid door het ter beschikking stellen van haar woning voor het bewerken en verwerken van cocaïne. In eerste aanleg was de ontnemingsvordering afgewezen.

Het hof rekende een deel van het voordeel van het cocaïnelaboratorium aan de betrokkene toe, ondanks dat uit het dossier niet bleek dat zij zelf direct voordeel had genoten. De betrokkene voerde aan dat de toerekening op basis van percentages slechts gokwerk was. Het hof oordeelde dat 30% van het totaalvoordeel aan haar en medebetrokkenen kon worden toegerekend, waarvan vervolgens een negende deel aan haar.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het hof niet tot vernietiging leiden en dat het hof terecht het voordeel toerekende. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van het ontnemingsbedrag van €122.922 naar €117.922. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot €117.922 wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de toerekening van voordeel aan de betrokkene.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04656 P
Datum27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001929-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat K.R. Verkaart bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 122.922.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 117.922 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 januari 2026.