ECLI:NL:HR:2026:1185

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
23/03848
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69.2 AWRArt. 2.1.a Wet Vpb 1969Art. 2.3.c AWRArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste fiscale winsttoerekening en medeplegen belastingfraude

De Hoge Raad heeft op 7 juli 2026 het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2023 vernietigd en de zaak terugverwezen. Het hof had geoordeeld dat gelden betaald door A B.V. aan commanditaire vennootschap B C.V. en besloten vennootschap C B.V. zowel als winst van deze vennootschappen als inkomsten van verdachte moesten worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat deze dubbele fiscale toerekening onjuist is, omdat vennootschappen alleen vennootschapsbelastingplichtig zijn voor zover zij de gelden fiscaal zelf hebben genoten.

De feiten betreffen het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting door verdachte en de vennootschappen B C.V. en C B.V. Het hof stelde vast dat verdachte middellijk beherend vennoot en bestuurder/aandeelhouder was, en dat de vennootschappen aanzienlijke bedragen ontvingen voor consultancywerkzaamheden. De Belastingdienst stelde een fiscaal nadeel vast van ruim €600.000.

De Hoge Raad merkt ambtshalve op dat niet is vastgesteld of B C.V. een open commanditaire vennootschap is, wat bepalend is voor haar vennootschapsbelastingplicht. Bij terugwijzing moet het hof dit onderzoeken en rekening houden met de mogelijkheid dat slechts een deel van de gelden als winst is genoten door de vennootschappen en een deel door verdachte als inkomsten.

De Hoge Raad verwerpt het beroep voor het overige en vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het betrekking heeft op de bewezenverklaring en strafoplegging van de onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde feiten. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting en beslissing.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof over medeplegen belastingfraude en onjuiste fiscale winsttoerekening en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03848
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2023, nummer 21-003129-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:
“1.
hij in de periode van 28 maart 2014 tot en met 5 augustus 2017 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting ten name gesteld van [verdachte] over het tijdvak:
- het jaar 2013 en,
- het jaar 2014 en,
- het jaar 2015 en,
- het jaar 2016;
telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der Belastingen/Belastingdienst Apeldoorn, terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
(...)
4.
hij in de periode van 7 juni 2014 tot en met 4 juni 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een persoon, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name gesteld van [A] over het tijdvak:
- het jaar 2013 en
- het jaar 2014 en
- het jaar 2015 en
- het jaar 2016,
telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst Apeldoorn, terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
5.
hij op 5 augustus 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een persoon, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name gesteld van [C] B.V. over het jaar 2016,
onjuist en onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst Apeldoorn, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“Op 23 september 2011 is [B] opgericht, van welke stichting verdachte sinds 24 augustus 2015 bestuurder/voorzitter is. De stichting is op haar beurt vennoot van de op 1 oktober 2011 opgerichte commanditaire vennootschap [A] , handelend onder de namen [D] C.V. en [A] (hierna: [A] ).
Sinds 8 januari 2016 is verdachte ook bestuurder/enig aandeelhouder van de op diezelfde dag opgerichte vennootschap [B] BV. Deze besloten vennootschap is bestuurder/enig aandeelhouder van [C] B.V. (hierna: [C] ), eveneens opgericht op 8 januari 2016.
Aanleiding onderzoek
In 2016 startte de Belastingdienst een onderzoek naar verdachtes aangiften inkomstenbelasting tot en met mei 2015. Het aangegeven loon was namelijk niet in overeenstemming met de bij de Belastingdienst bekende gegevens. Ook waren er vraagtekens bij de aangegeven aftrekposten.
Door de Belastingdienst zijn mutatieoverzichten opgevraagd van de bankrekeningen van [A] en [C] . Hieruit bleek de Belastingdienst dat door het recruitmentbureau [E] B.V. (hierna: [E] ) van 2012 tot en met 2016 een totaalbedrag van € 917.238,70,- en door [F] VOF een totaalbedrag van € 19.249,39, in totaal afgerond € 936.488,- aan [A] was overgemaakt. [C] had in 2016 € 142.248,- ontvangen van [E] .
Voor de Belastingdienst was dit aanleiding om een onderzoek in te stellen bij [E] . Door [E] werden zes projectovereenkomsten overgelegd. In deze overeenkomsten wordt verdachte telkens genoemd als de consultant, [A] en [C] als de leverancier en [G] , [H] en [I] als de cliënt. Ook legde [E] 59 facturen over die zij in 2016 van [A] en [C] had ontvangen voor de door verdachte uitgevoerde werkzaamheden.
Op 20 maart 2019 is besloten om een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen verdachte en de vennootschappen [A] en [C] .
Feit 1: Onjuiste belastingaangiften inkomstenbelasting
De Belastingdienst ontving in de periode van 28 maart 2014 tot en met 5 augustus 2017 de aangiften inkomstenbelasting ten behoeve van de verdachte over de jaren 2013 tot en met 2016. In deze aangiften was aangegeven dat loon was ontvangen van werkgever “ [J] ”. In 2013 ging het om € 32.580,- aan loon, in 2014 om € 31.580,- en in 2015 om € 29.720,-. In 2016 was, blijkens de aangifte, geen loon ontvangen. In de aangifte over het jaar 2014 was daarnaast € 3.800,- afgetrokken aan scholingsuitgaven.
Als aangever of contactpersoon stond in deze aangiften telkens verdachte genoemd met het [telefoonnummer] . Als fiscale partner stond in de aangiften telkens vermeld “ [betrokkene 1] ”. In het Belastingdienstsysteem BVR staat dat verdachte van 2005 tot en met 2018 was getrouwd met [betrokkene 1] .
Op de door de ING Bank verstrekte originele digitale afschriften van [rekeningnummer] 51 ten name van [verdachte] over het jaar 2014 komen geen salarisontvangsten van [J] voor.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij de hiervoor genoemde aangiften inkomstenbelasting zelf deed. Daarin staat verdachte ook als contactpersoon genoemd en zijn toenmalige echtgenote als zijn fiscale partner. Naar het oordeel van het hof staat hiermee vast dat het verdachte is geweest die deze aangiften heeft ingediend.
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich gedurende de ten laste gelegde periode, via de vennootschappen [A] en [C] , liet inhuren via het recruitmentbureau [E] . [E] ontving facturen van [A] en [C] voor de door verdachte verrichte werkzaamheden en maakte de gefactureerde bedragen over aan [A] en [C] . In totaal is een bedrag van € 1.059.486,70,- overgemaakt door [E] aan [A] en [C] . Uit de omstandigheid dat verdachte (middellijk) beherend vennoot van [A] en enig aandeelhouder en bestuurder van [C] is, leidt het hof af dat zowel de zeggenschap over de bedrijfsvoering als het economisch belang, waaronder de verworven gelden uit inkomsten, bij de onderneming van deze vennootschappen volledig rust bij verdachte. Verdachte is - fiscaalrechtelijk gezien - economisch eigenaar. Gelet daarop worden de gelden uit inkomsten van verdachte voor zijn werkzaamheden als consultant, verworven door de vennootschappen, fiscaal betrokken in de inkomstensfeer van de persoon achter de onderneming, te weten verdachte.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte ook verklaard dat hij inkomsten genoot voor zijn werkzaamheden voor [E] . De door [E] aan [A] en [C] overgeboekte gelden zijn dan ook ten onrechte niet meegenomen in de aangiften inkomstenbelasting van verdachte.
De door [E] overgeboekte gelden behelzen een totaalbedrag dat vele malen hoger is dan het totaalbedrag aan loon dat is voorgewend in de aangifte als zijnde ontvangen salaris van het niet (meer) bestaande “ [J] ”. De aangiftes inkomstenbelasting strekten er aldus telkens toe dat per saldo te weinig belasting werd geheven. Door de Belastingdienst is berekend dat het totale fiscale nadeel inkomstenbelasting 2013 tot en met 2016 € 325.882,- bedraagt.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte zijn inkomen opzettelijk niet heeft opgegeven aan de belastingdienst. Immers, als je aangifte moet doen van je inkomsten dan is de bedoeling dat je van je daadwerkelijke inkomen opgave doet.
Op grond van deze bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van 28 maart 2014 tot en met 5 augustus 2017 opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiften inkomstenbelasting bij de Belastingdienst heeft ingediend, wat ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.
Feiten 2 tot en met 5: Onjuiste belastingaangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting
(...)
ten aanzien van feit 4:
De Belastingdienst ontving in de periode van 7 juni 2014 tot en met 4 juni 2017 de vennootschapsbelastingaangiften ten behoeve van [A] over de jaren 2013 tot en met 2016. In de aangiften was de door [A] behaalde winst aangegeven. Als ondertekenaar stond in de aangiften ofwel verdachte ofwel [betrokkene 2] / [betrokkene 2] genoemd en als een telefoonnummer werd opgegeven dan was dat het [telefoonnummer] . In 2013 ging het om € 164.000,-, in 2014 om - € 254,-, in 2015 om - € 1.530,- en in 2016 om € 0,-.
ten aanzien van feit 5:
Op 5 augustus 2017 ontving de Belastingdienst de vennootschapsbelastingaangifte ten behoeve van [C] over het jaar 2016. Hierin staat dat in 2016 geen activiteiten plaatsvonden en dus ook geen winst was behaald. Als ondertekenaar werd verdachte genoemd met [telefoonnummer] .
fiscaal nadeel:
De Belastingdienst heeft berekend dat het totale fiscale nadeel omzetbelasting ( [A] : jaren 2013 tot en met 2016; [C] : 2016) € 145.835,- bedraagt. Het totale fiscale nadeel vennootschapsbelasting ( [A] : jaren 2013 tot en met 2016; [C] : 2016) bedraagt € 132.600,-.
juridische waardering:
In de hierboven aangehaalde aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting ten name van [A] en [C] is telkens minder omzet dan wel winst aangegeven dan uit de mutatieoverzichten van de bankrekeningen van [A] en [C] , in samenhang bezien met de hiervoor vermelde facturen, de daaraan ten grondslag liggende projectovereenkomsten en het relaas van de verbalisant, zoals hiervoor weergegeven, is gebleken. Het hof stelt dan ook vast dat de betreffende belastingaangiften onjuist en onvolledig zijn, en ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.”

3.Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel

3.1
Het eerste en het derde cassatiemiddel komen, in verband met de feiten 1, 4 en 5, op tegen onder meer het oordeel van het hof dat de door [E] B.V. (hierna: [E] B.V.) in verband met de door de verdachte verrichte consultancywerkzaamheden betaalde gelden in hun geheel moeten worden aangemerkt zowel als winst die [A] C.V. (hierna: [A] C.V.) en [C] B.V. (hierna: [C] B.V.) hebben genoten en die zij daarom hadden moeten betrekken in hun aangiften voor de vennootschapsbelasting, als ook als inkomsten die de verdachte heeft genoten en die hij daarom had moeten betrekken in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting.
3.2
Het hof heeft vastgesteld dat [A] C.V. in de jaren 2012 tot en met 2016 in totaal € 917.238,70 van [E] B.V. heeft ontvangen en dat [C] B.V. in 2016 € 142.248 van [E] B.V. heeft ontvangen, telkens in verband met door de verdachte als consultant verrichte werkzaamheden. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte middellijk beherend vennoot van [A] C.V. en middellijk enig aandeelhouder en bestuurder van [C] B.V. is. Daaruit heeft het hof afgeleid dat zowel de zeggenschap over de bedrijfsvoering van deze vennootschappen als het economisch belang bij de onderneming van deze vennootschappen, waaronder de van [E] B.V. verworven gelden, volledig rust bij de verdachte. Het hof heeft op basis hiervan overwogen dat de door [A] C.V. en [C] B.V. van [E] B.V. verworven gelden fiscaal hadden moeten worden betrokken in de inkomstensfeer van de persoon achter de onderneming, te weten de verdachte. Daarnaast heeft het hof overwogen dat [A] C.V. en [C] B.V. deze zelfde inkomsten opzettelijk niet hebben opgegeven in hun aangiften voor de vennootschapsbelasting.
3.3
Het in de voorgaande overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat de door [A] C.V. en [C] B.V. van [E] B.V. ontvangen gelden voor de door de verdachte als consultant verrichte werkzaamheden in hun geheel door [A] C.V. en [C] B.V. als winst zijn genoten, en tegelijkertijd en voor hetzelfde bedrag door de verdachte als inkomsten zijn genoten, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Die vennootschappen kunnen immers alleen vennootschapsbelastingplichtig zijn voor zover zij die gelden fiscaal zelf hebben genoten, wat betekent dat die gelden niet ook, tegelijkertijd en tot hetzelfde bedrag, rechtstreeks door de verdachte kunnen zijn genoten voor de inkomstenbelasting. Dat zowel de zeggenschap over de bedrijfsvoering van [A] C.V. en [C] B.V. als het economisch belang bij de onderneming van deze vennootschappen, waaronder de van [E] B.V. verworven gelden, volledig bij de verdachte rust, kan daarom het oordeel van het hof niet dragen.
3.4
Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, slagen zij. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van deze cassatiemiddelen niet nodig is.

4.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De beoordeling door de Hoge Raad van het tweede en het vierde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het vijfde cassatiemiddel niet nodig.

5.Ambtshalve opmerking over het onder 4 bewezenverklaarde

5.1
Met het oog op de behandeling na terugwijzing merkt de Hoge Raad naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7.7 tot en met 7.12 het volgende op. Het onder 4 bewezenverklaarde feit houdt in dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van [A] C.V. onjuist en onvolledig heeft gedaan, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat [A] C.V. een commanditaire vennootschap is.
5.2
Op grond van artikel 2 lid Pro 1, aanhef en onder a (oud), van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn alleen zogenoemde open commanditaire vennootschappen als binnenlandse belastingplichtigen aan die belasting onderworpen. Artikel 2 lid Pro 3, aanhef en onder c (oud), van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt dat de belastingwet onder een open commanditaire vennootschap verstaat, kort gezegd, een vennootschap waarbij toetreding of vervanging van commanditaire vennoten kan plaatshebben zonder toestemming van alle (beherende en commanditaire) vennoten.
5.3
Uit de inhoud van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid of [A] C.V. een open commanditaire vennootschap is zoals bedoeld in artikel 2 lid Pro 3, aanhef en onder c (oud), AWR, en dus ook niet of zij belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting.
Als het hof na terugwijzing tot de conclusie komt dat [A] C.V. niet een open commanditaire vennootschap is, kan het onder 4 tenlastegelegde feit voor zover dat inhoudt dat de onjuiste en onvolledige aangifte er telkens ‘toe strekte dat te weinig belasting werd geheven’, niet worden bewezenverklaard.
Als het hof na terugwijzing tot de conclusie komt dat [A] C.V. een open commanditaire vennootschap is, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat deze vennootschap slechtseen deel van de van [E] B.V. verworven gelden als (bruto) winst heeft genoten, en dat de verdachte van die gelden een eigen deel als (bruto) winst of als (bruto) inkomsten heeft genoten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase, T.B. Trotman, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.