ECLI:NL:HR:2026:1177

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
22/04578
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 2A OpiumwetArt. 3A Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen uitvoer drugs

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de uitvoer van hard- en softdrugs. De verdachte stelde cassatiemiddelen in tegen het arrest, waarbij onder meer werd geklaagd over de bewijsvoering en de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur, met vermindering van de straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijsvoering niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze nader te motiveren.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door late indiening van stukken en de lange duur na het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van zestien naar vijftien maanden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde deze en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 7 juli 2026 door de vice-president Borgers en raadsheren Posthumus en Kuiper.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijftien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04578
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022, nummer 20-002252-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en omdat ten tijde van het indienen van de cassatieschriftuur al meer dan twee jaren waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijftien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.