ECLI:NL:HR:2026:1160

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/01790
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over arbeidsongeschiktheid door bijzondere omstandigheden bij gemeente

De zaak betreft een geschil tussen een werkneemster en de gemeente Groningen over arbeidsongeschiktheid die is ontstaan in en door de dienst vanwege bijzondere omstandigheden waaronder de werkneemster werkzaamheden moest verrichten.

De werkneemster stelde zich op het standpunt dat het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin haar vordering werd afgewezen, onjuist was. Zij stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De gemeente stelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in.

De Hoge Raad heeft de klachten van de werkneemster beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het voorwaardelijk incidentele beroep van de gemeente behoeft daarom geen behandeling.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de werkneemster en veroordeelt haar in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren van de civiele kamer en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de werkneemster wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01790
Datum3 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[de werkneemster],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de werkneemster,
advocaat: J.C. Zevenberg,
tegen
GEMEENTE GRONINGEN,
zetelende te Groningen,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de Gemeente,
advocaat: J.B.B. Heinen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 10238585 / CV EXPL 22-7317 van de rechtbank Noord-Nederland van 7 maart 2023 en 2 januari 2024;
b. het arrest in de zaak 200.340.202 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025.
De werkneemster heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de Gemeente mede door G. Wind.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van de werkneemster heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep in enig onderdeel gegrond bevonden wordt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [de werkneemster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de werkneemster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
3 juli 2026.