ECLI:NL:HR:2026:1145

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/01474
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub a SvArt. 511g lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontoereikende motivering afwijzing verzoek getuigenverhoor in ontnemingsprocedure

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een ontnemingsprocedure tegen de betrokkene, veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel en deelname aan een criminele organisatie. Het hof had het verzoek van de verdediging om een medebetrokkene als getuige te horen aanvankelijk toegewezen, onder de voorwaarde dat de verdediging tijdig de adresgegevens van deze getuige zou aanleveren.

De verdediging heeft deze gegevens niet tijdig verstrekt, waarna het hof het verzoek alsnog afwees met het argument dat het onaannemelijk zou zijn dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De Hoge Raad oordeelt dat deze motivering ontoereikend is, omdat uit het enkel niet verstrekken van adresgegevens niet volgt dat het horen van de getuige onmogelijk is. Daarbij moet ook worden meegewogen of de justitiële autoriteiten de verblijfplaats kunnen achterhalen en mag de last niet eenzijdig bij de verdediging worden gelegd.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting en afdoening, waarbij de verdedigingsrechten in de ontnemingsprocedure moeten worden gewaarborgd conform artikel 6 EVRM Pro. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 7 juli 2026.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling vanwege ontoereikende motivering bij afwijzing van het verzoek tot het horen van een getuige.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01474 P
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2024, nummer 23-000758-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat P. Scholte bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat het onaannemelijk is dat de [medebetrokkene] binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord.
2.2.1
In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor, kort gezegd, mensenhandel terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, medeplegen van witwassen en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het hof heeft in de ontnemingszaak het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 117.971,28.
2.2.2
De procesgang in de ontnemingszaak en de stukken zijn, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.6. De procesgang houdt onder meer in dat de verdediging op 13 oktober 2022, voorafgaand aan de rolzitting in hoger beroep, aan het hof heeft bericht te persisteren bij de onderzoekswensen die in eerste aanleg zijn ingediend, waaronder het horen van de medebetrokkene. De verdediging heeft dit diezelfde dag mondeling herhaald op de rolzitting. Het hof heeft het onderzoek op de terechtzitting vervolgens geschorst tot de terechtzitting van 17 januari 2023. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in:
“De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld de verzoeken nader toe te lichten. Hij voert het volgende aan:
(...)
Er liepen allerlei geldstromen door elkaar. De medebetrokkene, [medebetrokkene] (verder: [medebetrokkene] ), kan verklaren van wie welk geld is. Het is de betrokkene niet bekend waar het geld precies vandaan kwam. Zij wordt door de rechtbank gekoppeld aan geldstromen die via en vanuit [medebetrokkene] liepen. De betrokkene en [medebetrokkene] zijn langere tijd niet bij elkaar geweest en zijn uiteindelijk uit elkaar gegaan wegens financiële kwesties. [betrokkene] meent dat er geen sprake was van een gezamenlijk inkomen dan wel gezamenlijke financiën.
(...)
De laatste keer dat ik contact had met betrokkene was zij zeker niet meer samen met [medebetrokkene] . Ik weet niet of is onderzocht waar beide betrokkenen staan ingeschreven. Ik weet in ieder geval niet waar de betrokkene is. Ik heb geen contact met haar gehad en beschik ook niet over haar telefoonnummer. Het telefoonnummer dat mij bekend is, werkt niet meer.
Het onderzoek wordt onderbroken voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als overwegingen en beslissingen van het hof mee dat:
(...)
 het verzoek tot het horen van de [medebetrokkene] wordt toegewezen, nu het hof daartoe de noodzaak ziet;
 de zaak naar de vaste raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, wordt verwezen voor het horen van voornoemde getuige en de stukken daartoe in handen worden gesteld van de vaste raadsheer-commissaris;
 de verdediging binnen één maand na de terechtzitting van heden (dat wil zeggen: vóór 17 februari 2023) adresgegevens van voornoemde getuige aan het hof doet toekomen, waarbij het hof nu reeds vaststelt dat het bij het uitblijven van deze informatie onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare tijd zal kunnen worden gehoord;
 (...)
 het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd”.
2.2.3
Het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 1 mei 2023 houdt, kort gezegd, in dat geen reactie is ontvangen van de raadsman op het verzoek van de griffier van het kabinet raadsheer-commissaris de benodigde adresgegevens van de getuige [medebetrokkene] aan te leveren en dat de getuige daarom niet kan worden opgeroepen om te worden gehoord.
2.2.4
Bij de stukken bevindt zich een e-mail van de raadsman van de betrokkene van 25 maart 2024, gericht aan het hof, die onder meer inhoudt dat hij verzoekt het onderzoek op de terechtzitting van 25 maart 2024 aan te houden, omdat hij geen contact kan krijgen met de betrokkene en hij zich niet gemachtigd voelt om haar te vertegenwoordigen. Verder houdt deze e-mail in:

Nog steeds (nimmer is er afstand gedaan) bestaat overigens de onderzoekwens om medeverdachte te horen.Deze onderzoekswens had cliënte mij aangegeven bij het instellen van het hoger beroep. Vanwege het inreisverbod van deze getuige zal dit via een rogatoire commissie moeten plaatsvinden. Helaas heeft de verdediging tot op heden geen adres van deze getuige weten te achterhalen. Wellicht dat het Hof of het Ressortsparket die informatie (inmiddels) heeft.”
2.2.5
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2024 houdt over het verzoek om de getuige te horen in:
“De betrokkene (...)
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. [advocaat] , advocaat te [plaats] , is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
(...)
De voorzitter deelt mee:
Op 25 maart 2024 heeft het hof, voorafgaand aan de aanvang van deze terechtzitting, een e-mailbericht ontvangen van de raadsman: met daarin het verzoek de zaak tegen de betrokkene aan te houden. Ter onderbouwing heeft hij, kortgezegd, aangevoerd dat hij al langere tijd geen contact heeft met zijn cliënt, hij zich afvraagt of de oproeping voor de terechtzitting van heden juist is betekend en hij zich niet gemachtigd voelt de betrokkene in hoger beroep te vertegenwoordigen. Tot slot bestaat bij de verdediging nog steeds de wens de medebetrokkene, [medebetrokkene] , als getuige te horen.
(...)
De voorzitter deelt mee:
Het hof heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 17 januari 2023, het verzoek van de raadsman tot het horen van de medebetrokkene [medebetrokkene] toegewezen en de zaak naar de vaste raadsheer-commissaris verwezen voor het horen van deze getuige. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de verdediging binnen één maand na die terechtzitting – dus vóór 17 februari 2023 – de adresgegevens van de getuige [medebetrokkene] aan het hof diende te doen toekomen “waarbij het hof nu reeds vaststelt dat het bij het uitblijven van deze informatie onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare tijd zal kunnen worden gehoord”. De verdediging van de betrokkene heeft de adresgegevens van de getuige [medebetrokkene] niet tijdig aan het hof doen toekomen.”
2.3
Artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), welke bepaling op grond van artikel 511g lid 2 Sv ook op ontnemingszaken toepasselijk is, luidt:
“De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:
a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.”
2.4
Op de ontnemingsprocedure is artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van toepassing (vgl. Europees hof voor de rechten van de mens 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/Verenigd Koninkrijk), overweging 39). In die procedure moet daarom zijn gewaarborgd dat aan de verdedigingsrechten van de betrokkene wordt tegemoetgekomen. (Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2023.)
2.5
In de onder 2.2.5 weergegeven overwegingen ligt besloten dat het hof opnieuw heeft beslist over het – eerder toegewezen en door de verdediging gehandhaafde – verzoek tot het horen van [medebetrokkene] als getuige, en daarbij tot de beslissing is gekomen dat dit verzoek, met het daaraan verbonden aanhoudingsverzoek, alsnog wordt afgewezen. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat, hoewel dit als voorwaarde aan de eerdere toewijzing was verbonden, de verdediging niet (tijdig) de adresgegevens van de getuige aan het hof heeft verschaft. Deze afwijzing is ontoereikend gemotiveerd. Uit de enkele omstandigheid dat de verdediging die gegevens niet heeft verstrekt, volgt immers niet dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Voor het oordeel hierover is onder meer van belang of de verdediging over een reële mogelijkheid beschikte om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen, en daarnaast of deze informatie mogelijk door inspanningen van de justitiële autoriteiten zou kunnen worden achterhaald. De last tot het achterhalen van de verblijfplaats van de getuige mag daarbij niet eenzijdig op de verdediging worden gelegd.
2.6
De klacht slaagt. Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.