Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor witwassen van geldbedragen van €113.530 en €19.935 aangetroffen in zijn auto. Het hof had geoordeeld dat deze bedragen afkomstig waren uit enig misdrijf en had daarbij gebruikgemaakt van een deskundigenrapport.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het geld uit een misdrijf afkomstig was en dat het gebruik van het deskundigenrapport als bewijs onvoldoende was gemotiveerd, nu de betrouwbaarheid ervan was betwist. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat dit gezien de opgelegde straf van negen maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De strafmotivering, waaronder het standpunt dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moest worden opgelegd, werd uitdrukkelijk onderbouwd door het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor witwassen met een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk.