Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegd medeplegen van oplichting via Marktplaats. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en behandeld door de Hoge Raad op 30 juni 2026.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde straf van drie maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, acht de Hoge Raad dit overschrijden niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd. De uitspraak is gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt de veroordeling voor medeplegen oplichting met een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee voorwaardelijk.