Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 februari 2024, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot overdragen van vuurwapens in het kader van een uit de hand gelopen wapendeal in Tilburg in 2020.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest, zodat het hofarrest in stand blijft behalve voor de strafduur.
Vanwege het feit dat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit leidt tot een ambtshalve vermindering van de gevangenisstraf met twaalf maanden. De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en vermindert deze tot elf maanden en twee weken, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn, het beroep wordt verder verworpen.