Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend aan de verdachte die in Suriname woonachtig was. De verdachte was veroordeeld voor rijden zonder rijbewijs en het hof had geoordeeld dat de dagvaarding geldig was uitgereikt door verzending van een afschrift als gewone brief naar het Surinaamse adres waarop de verdachte stond ingeschreven.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee de toepasselijke wettelijke en verdragsbepalingen had miskend. Artikel 36e lid 3 Sv vereist dat uitreiking aan een geadresseerde met verblijfplaats in het buitenland moet geschieden via aangetekende verzending of bemiddeling van het bevoegde parket van het betreffende land. Dit wordt bevestigd door artikel 14 lid 1 van Pro de uitleverings- en rechtshulpovereenkomst tussen Nederland en Suriname.
Omdat de dagvaarding slechts als gewone brief was verzonden, was de betekening nietig. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verklaarde de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig. Dit arrest benadrukt het belang van correcte betekening bij internationale rechtshulp in strafzaken.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 30 juni 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig en vernietigt het arrest van het hof.