ECLI:NL:HR:2026:1113

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
24/03730
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 588.1.b.2 (oud) SvArt. 588.2 (oud) SvArt. 36e.1.b.2 SvArt. 36e.3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid betekening dagvaarding in hoger beroep wegens onjuiste adresuitreiking

In deze strafzaak betrof het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte wegens medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, valsheid in geschrift en verduistering in verstek was veroordeeld. De kern van het cassatiemiddel betrof de vraag of de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend.

De verdachte stond niet ingeschreven in de Nederlandse basisregistratie personen (BRP) als ingezetene, maar had wel een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, namelijk het adres dat hij in de akte hoger beroep had opgegeven. De dagvaarding was echter niet op dit adres uitgereikt, maar alleen verzonden naar het in de BRP geregistreerde buitenlandse adres in België.

De Hoge Raad oordeelde dat bij een niet-ingeschreven verdachte met een bekende feitelijke woonplaats in Nederland de dagvaarding op dat Nederlandse adres moet worden uitgereikt. Omdat niet was geprobeerd de dagvaarding op het Nederlandse adres te betekenen, was de betekening nietig. De uitspraak van het hof werd vernietigd en de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard.

Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte betekening conform artikel 588 Sv Pro en de bescherming van het recht op een eerlijk proces door correcte kennisgeving van het hoger beroep.

Uitkomst: De betekening van de dagvaarding in hoger beroep is nietig verklaard wegens onjuiste adresuitreiking.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03730
Datum30 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 maart 2016, nummer 22-005707-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.P. Slewe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt).
2.2.1
De stukken die voor de beoordeling van de klacht van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2. Kort samengevat volgt daaruit:
- de akte hoger beroep van 17 december 2015 vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] ;
- volgens de akte van uitreiking is de dagvaarding in hoger beroep op 1 februari 2016 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Verder is die dagvaarding – zoals blijkt uit de tweede akte van uitreiking – op 1 februari 2016 verzonden naar het op die akte van uitreiking vermelde adres van de verdachte in het buitenland ( [b-straat 1] Bus […] in [postcode 1] [plaats] (België));
- de ID-staat SKDB van 9 maart 2016, die aan die dagvaarding is gehecht, houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 10 augustus 2015 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (de Hoge Raad begrijpt: basisregistratie personen (hierna: BRP)) is ingeschreven op het adres [b-straat 1] Bus […] in [postcode 1] [plaats] (België) en dat van hem geen laatst opgegeven woon- of verblijfplaats bekend is. Verder houdt die ID-staat SKDB in dat de verdachte vanaf 5 december 2012 tot 9 april 2014 in de BRP stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [postcode 2] [plaats] .
2.2.2
Het hof heeft verstek verleend en heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Artikel 588 lid Pro 1, 2 en 3 (oud) Sv luidde ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep:
“1 De uitreiking geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,
3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.
2 De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan volstaan worden met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.
3 Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;
c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 589.”
2.4.1
Als de niet-gedetineerde verdachte niet in Nederland staat ingeschreven in de BRP, dat wil zeggen: niet op een adres in Nederland als ingezetene ingeschreven staat in de BRP, maar van hem wel een (feitelijke) woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, moet uitreiking van de dagvaarding op grond van artikel 588 lid Pro 1, aanhef en onder b sub 2°, (oud) Sv – nu artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv – op dat adres plaatsvinden (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.17).
2.4.2
Onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats kan onder meer niet worden aangenomen als niet is geprobeerd de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het adres dat de verdachte in de akte hoger beroep heeft doen opnemen. Dit adres moet niet door een latere opgave zijn achterhaald. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.24, onder b.)
2.4.3
Als op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet in Nederland staat ingeschreven in de BRP en niet in Nederland is gedetineerd, en van hem ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, vindt de betekening van de dagvaarding plaats door toezending van de dagvaarding, hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (artikel 588 lid Pro 2 (oud) Sv; nu artikel 36e lid 3 Sv) (vgl. HR 12 maart, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.19).
2.4.4
Uit het voorgaande volgt dat in een geval als dit, waarin een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is die niet achterhaald is, de dagvaarding overeenkomstig artikel 588 lid Pro 1, aanhef en onder b sub 2°, (oud) Sv – nu artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv – moet worden uitgereikt op het adres in Nederland en niet kan worden volstaan met verzending naar het (in de BRP opgenomen) adres in het buitenland.
2.5
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het betekenen van de dagvaarding in hoger beroep niet was gedetineerd, dat hij niet in Nederland als ingezetene stond ingeschreven in de BRP en dat van hem een adres in Nederland uit de stukken blijkt, dat voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, namelijk het adres dat de verdachte in de akte hoger beroep heeft doen opnemen, [a-straat 1] in [plaats] . Uit de stukken volgt echter niet dat is geprobeerd de dagvaarding in hoger beroep uit te reiken op dat adres van de verdachte. Het kennelijke oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend is daarom, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat uit de stukken niet volgt dat het in de akte hoger beroep opgenomen adres ten tijde van het betekenen van de dagvaarding in hoger beroep was achterhaald door een latere adresopgave, niet begrijpelijk.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
2.7
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 juni 2026.