Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
In deze economische strafzaak stond de vraag centraal of verdachte medeplichtig kon worden gehouden aan het opzettelijk houden van meer varkens dan toegestaan op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Het hof had geoordeeld dat verdachte medeplichtig was door het verhuren van stallen waarvan twee van de drie per 1 januari 2020 niet meer voldeden aan de wettelijke eisen.
Verdachte stelde in cassatie dat dit oordeel onjuist was en voerde klachten aan tegen de bewijswaardering en de vaststelling van medeplichtigheid. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad motiveert zijn beslissing niet uitvoerig omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep wordt derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid.