Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 juni 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2025, waarin een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) werd bevestigd. De rechtbank had geoordeeld dat de medische verklaring voldoende actueel was en dat uit de update van de behandelend psychiater en hetgeen op zitting naar voren kwam, bleek dat de situatie van betrokkene niet ten positieve was veranderd.
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene over deze beschikking beoordeeld, waaronder de stelling dat bij het ontbreken van een actuele medische verklaring actualisering slechts mogelijk zou zijn door een onafhankelijke psychiater. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de beschikking.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van betrokkene schriftelijk had gereageerd. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het oordeel te geven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De beschikking is op 26 juni 2026 door de Hoge Raad gegeven en in het openbaar uitgesproken door raadsheer F.R. Salomons. De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam was niet verschenen en heeft geen verweerschrift ingediend.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam inzake de zorgmachtiging.