ECLI:NL:HR:2026:1039

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
25/02431
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:928 BWArt. 7:929 BWArt. 7:930 BWArt. 7:931 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak over schending mededelingsplicht verzekeringsrecht

In deze zaak stond de vraag centraal of eiser de mededelingsplicht had geschonden bij het afsluiten van een verzekering bij Achmea. De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam, waarna het gerechtshof Amsterdam meerdere arresten heeft gewezen. Eiser stelde cassatieberoep in tegen de arresten van het hof van 7 mei 2024 en 8 april 2025.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van eiser niet leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een totaal van € 10.708,--, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. Het arrest is gewezen door de vicepresident Polak als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Salomons.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02431
Datum26 juni 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaten: A.H. Vermeulen en A.A.M. Knol,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Achmea,
advocaat: B.T.M. van der Wiel.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/707962/ HA ZA 21-873 van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2022 en 25 mei 2022;
b. de arresten in de zaak 200.313.735/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 augustus 2022, 7 mei 2024 en 8 april 2025.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof van 7 mei 2024 en 8 april 2025 beroep in cassatie ingesteld.
Achmea heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Achmea mede door J.H.G. Hordijk en H.A.A. Essebai.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Achmea begroot op € 8.508,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
26 juni 2026.