ECLI:NL:HR:2026:1024
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake verhuurderheffing
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een door haar op aangifte voldaan bedrag aan verhuurderheffing. Na behandeling van het cassatieberoep heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de ingebrachte klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De procedure kende een conclusie van repliek van belanghebbende en een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van de lagere rechterlijke instanties en betekent dat het door belanghebbende betaalde bedrag aan verhuurderheffing niet wordt teruggevorderd. De Hoge Raad beperkt zich tot een summiere beoordeling en laat de eerdere rechtspraak in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Den Haag wordt bevestigd.