Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die was veroordeeld voor openbare dronkenschap. Het geschil richtte zich op de vraag of de dagvaarding in hoger beroep terecht was betekend op het later in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerde woonadres van de verdachte, dan wel op zijn briefadres.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, hetgeen de Hoge Raad volgde. Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Trotman en Kuiper, en uitgesproken op 30 juni 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.