Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift van de klager tegen het beslag op zijn leaseauto, gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro wegens verdenking van rijden zonder geldig kenteken. De rechtbank Den Haag verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert. De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later de verbeurdverklaring van de auto zal bevelen.
De klager stelde dat hij eigenaar was van de auto en aan alle wettelijke vereisten voldeed om met de auto te rijden, waaronder betaling van motorrijtuigenbelasting en BPM. De rechtbank stelde echter vast dat ondanks deze betalingen de auto niet correct geregistreerd was en dat de verdenking van rijden zonder geldig kenteken bleef bestaan. De rechtbank motiveerde dat het beslag niet disproportioneel was en dat het voortduren van het beslag gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad bevestigde dat bij een klaagschrift tegen beslag op grond van artikel 94 Sv Pro de rechter moet beoordelen of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank dat de auto toebehoort aan de klager in de zin van artikel 33a Sr niet onbegrijpelijk is, ook niet gezien het ontbreken van een stelling dat de auto aan de leasemaatschappij toebehoort. Tevens is het enkele bestaan van een leaseovereenkomst geen belemmering om eigendom aan de klager toe te kennen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring zal bevelen. Ook als de auto aan de leasemaatschappij zou toebehoren, zou de klager onvoldoende belang hebben bij het klaagschrift. De beschikking van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de leaseauto blijft gehandhaafd wegens het niet hoogst onwaarschijnlijk achten van verbeurdverklaring.