Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 300.2 van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat van de verdachte heeft cassatiemiddelen ingediend, waarbij de focus lag op de bewezenverklaring van de mishandeling en de verwerping van het beroep op noodweer. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet tot cassatie leiden. De redenen voor deze beslissing zijn uiteengezet in de conclusie van de advocaat-generaal. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft vastgesteld dat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij handelde uit noodweer. De door de verdachte aangevoerde provocatie door de aangeefster en het feit dat zij niet uit zijn kamer wilde gaan, zijn door het hof niet als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gekwalificeerd. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en de verwerping van het beroep op noodweer is toereikend gemotiveerd.
Uiteindelijk verwerpt de Hoge Raad het beroep van de verdachte, waarmee de uitspraak van het hof in stand blijft. Dit arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.