ECLI:NL:HR:2026:1

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
24/02475
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en noodweer

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 300.2 van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat van de verdachte heeft cassatiemiddelen ingediend, waarbij de focus lag op de bewezenverklaring van de mishandeling en de verwerping van het beroep op noodweer. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet tot cassatie leiden. De redenen voor deze beslissing zijn uiteengezet in de conclusie van de advocaat-generaal. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft vastgesteld dat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij handelde uit noodweer. De door de verdachte aangevoerde provocatie door de aangeefster en het feit dat zij niet uit zijn kamer wilde gaan, zijn door het hof niet als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gekwalificeerd. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en de verwerping van het beroep op noodweer is toereikend gemotiveerd.

Uiteindelijk verwerpt de Hoge Raad het beroep van de verdachte, waarmee de uitspraak van het hof in stand blijft. Dit arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02475
Datum13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2024, nummer 21-002788-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. de Heer bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling, en in het bijzonder over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 januari 2026.